Het park is verlaten als Carlo in het holst van de nacht op het bankje aan de oever van de rivier zit. Aan de overkant ziet hij de lichten van straatlantaarns op de dijk en hij neemt daar de koplampen waar van auto’s die niet rijden. In het vage licht kan hij met moeite enkele gestaltes, die ogenschijnlijk onrustig heen en weer lopen, van het duister onderscheiden. De stemmen die door de wind worden meegevoerd, geven Carlo de indruk dat er een zekere paniek heerst onder de mensen op de dijk. Hoewel het hem zeker benieuwt waarom de mensen zo nerveus lijken te zijn, kan hij er niet te lang bij stilstaan. Hij heeft al teveel aan zijn hoofd.
Zolderraam
Wakker in het duister, Lig ik in bed en luister. Het tikken op de ruit, Een ritmisch en vertrouwd geluid. Wekt het verlangen naar dromen, Gelukkig hoef ik mijn bed nog niet uit te komen. Open gordijnen, Wolken die op de wind voorbij deinen. Aan de hemel geen maan, geen licht, Duister bepaalt het uitzicht. … Lees meer