Aug 012006
 

Dit was de winnende inzending voor een verhalenwedstrijd op het forum van FOK! met als thema “twee”.

Begeleid door twee bewakers loopt Karen door de grauwe gang. De bedompte lucht dringt tot diep in haar neusgaten door. Achter metalen roosters in het plafond hangen TL-buizen die de gang, bij gebrek aan daglicht, van enig licht voorzien. Enkele TL-buizen hebben hun langste tijd gehad, waardoor ze onheilspellend knipperen. Een rilling loopt over Karens rug. De bewakers kijken strak voor zich uit. Pas als ze het einde van de zich eindeloos uitstrekkende gang hebben bereikt, draait één van de bewakers zich om. ‘We zijn er. Als u ons wilt volgen, mevrouw Bakker?’ De andere bewaker opent de deur.

Een huivering trekt door Karens lichaam als ze door de deur stapt. Ze stopt en kijkt om zich heen. Vier etages met grote stalen deuren imponeren haar. De aan een kant open gang waaraan de deuren grenzen wordt verlicht door TL-lampen. Bovenin de ruimte zit een grote koepel met glazen waardoor daglicht naar binnen valt. Karen herkent duidelijk de kenmerken van het door Jeremy Bentham bedachte panopticum, in de door W.C. Metzelaar in het begin van de 20e eeuw gebouwde gevangenis. Vanuit haar positie kan ze vrijwel alle celdeuren zien.

‘Indrukwekkend, nietwaar?’ Een van de bewakers haalt haar uit haar inwendige bewondering, die de plaats van de angst heeft ingenomen. Karen knikt. ‘Het ziet het er overweldigend uit.’ De bewaker glimlacht. ‘Dat zegt bijna iedereen die hier voor de eerste keer komt. Maar als u mij weer wilt volgen?’ De bewakers zetten hun toch voort, op de voet gevolgd door Karen. Ze voelt hoe de spanning zich met iedere stap die ze zet opbouwt in haar onderbuik. Van achter de celdeuren hoort ze mannenstemmen. Ze bevindt zich in het hol van de leeuw, een wereld met alleen maar mannen. En de gedachte dat de meeste geen lieverdjes zijn, stelt haar niet echt op haar gemak.

Ze lopen naar een door glas omgeven kamer in het midden van de grote open ruimte. De bewakers gebaren dat Karen moet wachten, terwijl ze de kamer inlopen. Na enkele minuten komt een van de bewakers naar buiten. Het is een lange, stevig gebouwde man met kort, stekelig haar. De behaarde armen die onder de korte mouwen van zijn blauwe overhemd vandaan komen, laten nog net een stukje van een tatoeage zien. Karen schat dat de man ergens rond de 50 jaar oud is. Een leeftijd die zij nog maar net voor de helft bereikt heeft. De man, die zich heeft voorgesteld als Arnold, wenkt Karen, waarop ze in zijn voetsporen treedt en gedwee volgt.

‘Dit is de zogenaamde ‘natte hoek’,’ zegt Arnold als een ware toeristengids, ‘dat is de ruimte waar onze gasten zich kunnen reinigen.’ Karen kijkt naar de metersbrede zuil die tot aan het dak omhoog reikt. ‘Elke verdieping heeft zijn eigen doucheruimte. Beneden zijn wat douches voor het personeel.’ Karen knikt en ze begeven zich verder het gebouw in. Arnold leidt haar naar een stalen trap, met aan weerszijden betonnen muren en aan een kant een stalen hekwerk dat van boven naar beneden reikt. Na twee trappen te hebben beklommen, betreden ze de eerste verdieping.

‘Er zijn 52 kamers per verdieping. Elke kamer is voorzien van toilet, douchen gebeurt op de gang. Helaas hebben we geen kamers met balkon en als u een extra toeslag wilt betalen voor een kamer met zeezicht, dan moeten we u ook teleurstellen. Verder hebben we geen airco, wel tv op de kamers. En een voortreffelijke roomservice, als ik zo vrij mag zijn.’ Karen ziet hoe de man geniet van zijn reisleiderspraatje.

‘Kamer 2 is momenteel verhuurd aan Hans H. Toen hij een klein jongetje was, stopte hij een keer een rolletje pepermunt in zijn zak bij de Albert Heijn. Dat vond hij zo leuk, dat hij dat vaker deed, waarbij hij ook steeds grotere zakken nodig had. De laatste keer is hij betrapt met een BMW, alleen zat toen de zak in de gestolen waar. Ah, kamer 8. Nog zo’n gezellig persoon. Hij ging graag op visite bij zijn tante van 72 jaar. Het oude mensje was erg gesteld op zijn gezelschap. Deze mijnheer was op zijn beurt erg geïnteresseerd in haar vermogen. Als een van de twee erfgenamen, had hij wat meer geduld moeten hebben, en dan had hij er ook van kunnen genieten. Maar in plaats van een gebakje mee te nemen voor bij de koffie, nam mijnheer arsenicum mee. Nu mag hij genieten van onze koffie, waar hij overigens de nodige klachten over heeft geuit.’ Vanachter de deur hoort Karen ineens gescheld. ‘Verdomme, klootzak! Hou je bek dicht! Dat is geen koffie maar slootwater!’

Arnold gaat onverstoorbaar verder. ‘Cel 13. Het ongeluksnummer. Hier zit dan ook een echte pechvogel, deze mijnheer Otto Nicolaas G. Waarbij de G inderdaad staat voor ‘Geluk’. Zijn ouders hadden een voorzienende blik toen ze hem van een naam voorzagen. Hij kwam thuis van een vakantie naar Thailand, toen de douane zakjes met wit poeder in zijn bagage vond. Hij blijft volhouden dat hij van niets weet, en dat iemand anders het erin gestopt heeft. Maar ja, het pleit niet voor hem dat hij de enige was met de sleutels van zijn koffer. Als een geluk bij een ongeluk, hadden de Thaise autoriteiten niets gevonden. Want ik kan je verzekeren, jongedame, dat onze dienstverlening een stuk beter is dan die in Thailand.’

Als ze langs cel 19 lopen, groet de bewoner hen op een vriendelijke manier. ‘Goedemiddag, Arnold en gast. Wat een heerlijk weertje vandaag, he!’ Arnold stopt. ‘Zeker. Bertus, mag ik je voorstellen aan mevrouw Bakker? Mevrouw Bakker, dit is Bertus S. Hij is een van de weinigen die zich hier ook echt thuis voelt.’ ‘Zeker, mevrouw. Weet u, hier kunnen de geuzen me niet vinden. Die zoeken hier niet. Dus ben ik hier veilig.’ Arnold knipoogt naar Karen. ‘Ik heb gehoord, Bertus, dat we de geuzen in de buurt van Leiden een halt hebben kunnen toeroepen. Ze zijn met hun spreekwoordelijke staart tussen de benen afgedropen, terug naar Geuzenland.’ ‘Fantastisch. Het doet me goed om dat te horen, Arnold! Nog een prettige dag.’ Arnold loopt samen met Karen door. ‘Hij lijdt aan waanbeelden, zoals u gemerkt zult hebben. Daardoor gedreven, heeft hij twee mensen omgebracht, omdat hij ervan overtuigd was dat ze hem aan kwade machten wilden overdragen. Zijn TBS zit er nu al ruim een jaar op, maar men vindt het niet verstandig om hem de vrije wereld in te sturen.’

Een paar deuren verderop stoppen ze. ‘Hier is het dan. Cel 22, of ‘dubbel twee’, zoals wij het ook wel noemen.’ Karen knikt. Ze voelt haar hart bonzen in haar keel. Een week geleden, kreeg ze het telefoontje. Haar proefschrift over de invloed van gevangenschap op het gedrag van delinquenten, was gelezen door iemand van het Ministerie van Justitie. Daarom hadden ze contact met haar opgenomen. Zij was een van de personen die zich mocht buigen over een gevoelige kwestie.

‘U heeft vast wel iets gelezen over de gebroeders Nagtzaam,’ vraagt Arnold. Karen knikt. ‘Ik heb begrepen dat het een tweeling is. Gijs en Thijs. Hebben twee verkrachtingen op hun geweten, en hebben de vader van een van de slachtoffers doodgeslagen en geschopt toen hij verhaal kwam halen. Twaalf jaar geleden veroordeeld, en over twee maanden kunnen ze met vervroegd verlof.’ Arnold knikt. ‘U heeft uw huiswerk goed gedaan.’

Karen zucht. Over enkele ogenblikken zal Arnold de deur openen, en staat ze oog in oog met twee gevangenen. Hoewel dat voor haar niets nieuws is, boezemt deze aankomende ontmoeting haar toch meer angst in dan de vorige keren. Maar toen volgde ze twee vrouwelijke winkeldieven, die geen gevaar vormden. Nu staat ze op het punt om twee geweldsgevaarlijke mannen te ondervragen. Haar missie is duidelijk. Ze moet een oordeel vormen over het gevaar dat deze mannen nog vormen voor de samenleving. Samen met twee andere psychologen beslist zij dan over het lot van de tweeling in de cel. ‘U hoeft niet bang te zijn, mevrouw Bakker. Ik weet dat het ongebruikelijk is om gedetineerden in de cel te ondervragen, maar dat leek ons het beste. Ik zal de hele tijd buiten blijven wachten.’

Karen kijkt verschrikt op. ‘Ik dacht dat er iemand mee naar binnen zou gaan.’ Arnold schudt zijn hoofd. ‘Dat zou gebruikelijk zijn, maar dit is sowieso al een ongebruikelijke situatie. Normaal gesproken stoppen wij niet twee familieleden in één cel, maar deze heren kregen zoveel heimwee naar elkaar, dat de gevangenisarts heeft voorgesteld om ze bij wijze van proef bij elkaar te zetten.’ ‘Maar dat rechtvaardigt toch niet dat er niemand mee naar binnen gaat?’ ‘Het is een verzoek van het Ministerie, dat hoopt dat u zonder aanwezigheid van bewakers een objectiever beeld zult kunnen vormen.’

Arnold haalt een sleutelbos uit zijn zak en draait de deur van slot. ‘Als er iets is, roept u maar.’ Hij knikt en opent de deur. Karen voelt opnieuw een rilling door haar lichaam gaan. De mannen in de cel voldoen niet aan het beeld dat Karen van hen creëerde toen ze hun geschiedenis las. Aan weerszijden van de cel staat een simpel bed, met daarop twee magere mannen. Hun gezichten zijn bleek en hun haar zit wild over het hoofd. Karen hoort de zware deur achter zich sluiten.

‘Goedemiddag, heren,’ stamelt ze. ‘Ik ben Karen Bakker en ik kom jullie wat vragen stellen.’ Beide mannen knikken bedeesd. Karen pakt een pen en een schrijfblok uit de plastic draagtas die ze bij zich heeft. ‘Oke, uhm. Wie van jullie is Gijs?’ De man rechts van haar steekt voorzichtig zijn arm omhoog. ‘Oke. En dan ben jij natuurlijk Thijs. Goed. Weten jullie waarom ik hier ben?’ Terwijl ze de vraag stelt, veegt Karen wat zweetdruppels van haar gezicht.’ De broers zwijgen. ‘Ik ben psychologe en…’ ‘Nee.’ Karen kijkt naar Gijs, die is opgestaan. ‘Zitten.’ Hij wijst naar een stoel die in de hoek staat. Aarzelend gaat Karen zitten. Ze ziet hoe Gijs ook weer is gaan zitten en instemmend knikt.

‘Zoals ik al zei,’ vervolgt Karen haar verhaal, ‘ben ik psychologe.’ Zwijgend kijkt de tweeling haar aan. ‘Jullie weten waarom ik hier ben?’ Thijs knikt. ‘Als we lief zijn, mogen we eerder naar huis toe.’ Karen knikt, terwijl ze verbaast over de kinderlijke bewoordingen van de gevangene. ‘Ik ga jullie eerst wat plaatjes laten zien, en jullie moeten zeggen wat jullie zien.’ De mannen knikken. Uit haar tas haalt Karen drie vellen papier met een inktvlek erop. Ze toont de eerste aan de mannen. Wat zien jullie hierin? Thijs bestudeert het plaatje nauwkeurig. ‘Een draak, die vuur spuwt uit zijn mond!’ ‘Welnee man,’ valt Gijs hem in de rede. ‘Dat is een vrouw die smacht om van achteren genomen te worden!’ Thijs kijkt hem hoofdschuddend aan. ‘Niet waar.’

Karen laat het volgende vel papier zien. Opnieuw reageert Thijs als eerste. ‘Een mooie vaas. Zo eentje waar onze moeder altijd bloemen in zette!’ Gijs lacht. ‘Lul niet. Dat is een naakt wijf. En ze ziet er goed uit. Net zoals de jongedame hier.’ Karen kijkt nerveus op. Ze ziet hoe Gijs onwillekeurig zijn hand een paar keer heen en weer beweegt over zijn broek. Ze negeert het en gaat door naar de laatste pagina, waar in plaats van een inktvlek, een plaatje van naakte vrouw op staat. Gijs schudt zijn hoofd. ‘Dat is een lelijke inktvlek. Denk je dat we dom zijn of zo?’ Thijs zucht. ‘Dat is nou een vrouw. Een echte, maar dan getekend. Wel mooi getekend, trouwens, al kloppen niet alle verhoudingen volgens mij. Maar ja, wie ben ik om dat te beoordelen?’ Gijs lacht hardop. ‘Ja, wie ben jij om dat te beoordelen!’

Karen stopt de papieren weer in de draagtas. ‘Heren. Stel dat jullie in het park lopen, het is donker, en de enige voorbijganger is een vrouw die haar hond uitlaat. Wat doen jullie dan?’ De tweeling reageert in koor. ‘Dan wensen wij haar een goede avond en lopen door.’ ‘Ja,’ gaat Thijs verder, ‘want onze vrienden wachten dan in de kroeg op ons, en die willen we niet laten wachten.’ ‘Maar,’ zegt Gijs, ‘we kunnen haar ook uitnodigen om een drankje met ons te drinken. En als ze ja zegt, dan mag zij betalen, want wij lusten er ook wel eentje!’ Hij lacht hardop om zijn eigen grap. Karen maakt ondertussen aantekening. ‘Een laatste vraag. Wat gaan jullie doen als jullie vrij zijn?’ De tweeling denkt even na. Thijs is de eerste die antwoord geeft. ‘Ik zou een baan zoeken, een huisje met tuintje huren, want dan kan ik fijn tuinieren, en ik zou lid worden van de bibliotheek.’ Hij knikt met een kinderlijk enthousiasme. Gijs zucht. ‘Ik zou ergens gaan werken waar veel vrouwen zijn. Vrouwen zijn leuk. En ik zou gaan kickboksen, dat geeft me echt een kick.’ Opnieuw lacht Gijs om zijn eigen grap.

Karen staat op. ‘Ik denk dat ik genoeg weet. Bedankt voor jullie tijd.’ ‘En, wat is uw oordeel?’ Thijs kijkt haar vragend aan. ‘Dat mag ik niet met jullie bespreken, sorry.’ Ze draait zich om en wil op de deur kloppen, ten teken dat ze klaar is. Maar dan voelt ze een arm om haar mond. De plastic tas laat ze op de grond vallen. ‘Dokter, ik heb een probleem. Ik sta al 10 jaar droog. Help me.’ Ze kijkt angstig om en ziet hoe Gijs grijnzend achter haar staat. Als ze zijn hand onder haar rokje voelt gaan, heeft ze spijt dat ze geen spijkerbroek heeft aangetrokken. Ze voelt hoe de vingers in de buurt van haar slipje komen. Ze wil gillen, maar de hand van Gijs belet haar dat. Het angstzweet breekt haar uit.

Plotseling zijn de hand voor haar mond en de ongewenste aanwezigheid onder haar rok verdwenen. Ze draait zich om en ziet Gijs op de grond liggen. Thijs zit met zijn knieën bovenop hem. ‘Verdomme! Je verpest alles! Eerst moet ik door jou de cel in. En nu verpest je onze vrijheid, mijn vrijheid weer!’ Karen ziet hoe tranen over zijn wangen rollen. Hij draait zich om. ‘Sorry voor mijn broer. Ik… het spijt me.’ Karen hoort hoe de deur achter haar geopend wordt. Arnold stapt naar binnen. ‘Alles in orde?’ Karen knikt, nog nabevend van de gedachte aan wat bijna gebeurd was. Ze stapt de cel uit, en hoort opnieuw de deur dichtvallen.

Als ze een uur later in de trein naar huis zit, haalt Karen opgelucht adem. De zwaarste opdracht die ze in haar jonge carrière heeft gehad, is voorbij. Op haar schoot ligt haar kladblok. Ze heeft een oordeel kunnen vormen. Haar advies zal luiden dat Thijs geen gevaar voor de samenleving vormt, Gijs wel. Als de andere psychologen met haar instemmen, mag Thijs binnenkort naar huis.

In cel dubbel twee laat Thijs zijn broer na het vertrek van Karen weer los. Gijs glimlacht nog even. ‘Verdomme, waarom zei je nou dat jij Gijs bent,’ zegt Thijs, ‘Nu denken ze dat ik jou ben, en jij mij!’ De broer die Karen kent als Gijs, glimlacht. ‘Als dat zo is, broer. Dan is mijn plan geslaagd.’

 

 Gepubliceerd door om 18:57

Sorry, het reactieformulier is momenteel gesloten.