Sep 032010
 

Ik mocht alles weten. Er was niets dat men mij niet vertelde. Men zei dat ik goed kon luisteren zonder de ander in de rede te vallen. Ik was een uitlaatklep voor velen, maar kon zelf bij niemand mijn verhaal kwijt, omdat er in mijn dorp niemand was die mijn taal begreep. Jarenlang was het de enige manier waarop ik mezelf kon uiten. Op een dag die mij anders zou maken dan anderen, lag ik, amper een jaar oud, in een wiegje op de achterbank van de auto. Dat mocht toen nog gewoon. Mijn vader zat achter het stuur van de auto waarvan ik het merk niet meer weet. Hij was donkergroen, dat weet ik nog wel. We reden over de dijk, met links het water van het IJsselmeer en rechts de weilanden waar de auto ondersteboven in belandde toen mijn vader moest uitwijken voor een overstekende kat. Het dier overleefde het voorval, mijn vader niet. Mij was het lot gunstiger gezind, want ik werd door de remkrachten slechts door de voorruit geslingerd en belandde in een koeienvlaai, die mijn val voldoende brak om te kunnen overleven. Bij mijn reis door de voorruit schoot een stuk glas echter in mijn keel en sneed door mijn stembanden, waardoor ik die nooit heb kunnen gebruiken. Als ik al een huilbaby was, dan merkte mijn moeder daar weinig van. En toch was zij de enige met wie ik kon communiceren. Zij leerde samen met mij de gebarentaal die ik nog steeds gebruik.

Mijn zwijgen gaf mijn dorpsgenoten de indruk dat ik goed kon luisteren en me interesseerde voor hun verhalen. Niets was minder waar, maar ik kon het gewoon niet duidelijk maken. Dat was mijn grootste probleem, maar ik had niemand om het mee te delen. Totdat Hans Swart, 46 jaar oud en psycholoog van beroep, me vertelde over de relatie met een van zijn patiënten, een meisje van 17, dat nooit een vader had gekend en daardoor met zichzelf overhoop lag. Hans adviseerde haar om haar gevoelens op te schrijven, zodat ze ze maar kwijt was en zelf kon lezen. Schrijven was therapie volgens hem, maar sinds hij haar eerste gedachten op papier las, over hoe het meisje verlangde naar een man, had hij dringend relatietherapie nodig. Op de sofa in zijn spreekkamer nam hij haar maagdelijkheid, en negen maanden later kreeg zij een zoon, Tim. Hans’ vrouw Hetty en hun twee puberende kinderen mochten hier niets van weten. En daarom vertelde hij het aan mij. Om het uitgesproken te hebben, zodat het minder aan hem zou knagen. En ik zou toch niets doorvertellen. Als ik het al wilde, dan kon het immers toch niet. Maar schrijven is een goede therapie. Die woorden bleven hangen bij me, en daarom kocht ik een typemachine. Als ik de woorden niet kon uitspreken, moest ik ze maar opschrijven. En zo geschiedde.

Een week later stonden de eerste woorden op papier. Leanne de Jager, een 23-jarige secretaresse bij het notariskantoor in het dorp, had uit de bedrijfskas honderd euro gestolen en de schuld in de schoenen van haar 39-jarige collega Judith geschoven. Dat Judith werd ontslagen en ruim een jaar zonder werk zat terwijl ze twee kleine kinderen moest opvoedden, deed Leanne niets. Zij was veel te blij dat haar misdaad niet ontdekt was en dat zij op kosten van de baas een paar pumps had kunnen kopen. Dat laatste was het belangrijkste voor haar. Of eigenlijk was zij zelf het belangrijkste voor zichzelf. Ze stond graag in het middelpunt van de belangstelling en spendeerde twee volle uren aan praten over zichzelf. Ze had nogal een vertekend zelfbeeld namelijk, en iedereen moest haar net zo leuk vinden als zij zichzelf vond. Vreemd genoeg werkte dat nog ook en hoorde je zelden iemand negatief over haar praten. Ook voor haar maakte het dus niet uit dat ik alles wist wat er speelde in haar leven, het was niet de eerste keer dat ze me aansprak, want ik zou niets kunnen zeggen wat haar reputatie zou kunnen schaden. En toch liep Leanne maanden later forse imagoschade op.

Carla Romijn, de echtgenote van Paul Romijn, had een buitenechtelijke relatie met buurman Bob, die getrouwd was met Vanessa. Ze voelde zich schuldig tegenover haar echtgenoot, maar daar was geen enkele aanleiding toe. Ik kon alleen niet vertellen dat Paul er op zijn beurt een buitenechtelijke relatie op nahield met buurvrouw Vanessa en haar 18-jarige dochter Nathalie, net als met overbuurvrouw Ilona en zijn secretaresse Fiona. Carla had mijns inziens dan ook alle recht om zijn overspel te compenseren. En daar zou ze zelf ook nog wel achterkomen. Niet door mijn toedoen trouwens, maar door de iets te enthousiaste Nathalie die, op een dag dat Carla ziek thuis zat, langskwam in uitdagende lingerie, vragend of Paul er ook was, want ze spraken altijd de tweede dinsdag van de maand af. Carla was des duivels en een maand later hadden de mannen hun huis geruild en ze wonen nog steeds bij de vrouwen van hun tweede keus. Paul bij Vanessa en Nathalie, en Bob bij Carla. En omdat de huidige gezinssamenstellingen zo natuurlijk overkomen, is er niemand die eraan twijfelt dat het altijd zo is geweest. Niemand, behalve de betrokkenen en ik.

Dat woorden kracht kunnen hebben, ontdekte ik toen ik onder het pseudoniem ‘Jan Jansen’ een pagina opstuurde naar de lokale krant. Ik beschreef erin hoe een van onze wethouders, Albert de Monnick, had verdiend aan een nieuwbouwproject voor een sporthal. De bouw was aanbesteed en het slechtste bod had gewonnen. Het bouwbedrijf van zijn zwager mocht de sporthal bouwen. Het kostte de gemeenschap twee miljoen meer dan bij andere bedrijven, maar daar stond tegenover dat de helft van dat bedrag terugvloeide naar de bankrekening van onze wethouder. Lucratief voor hem, zuur voor ons, want het jaar daarop stegen de lokale lasten fors. De krant publiceerde de brief en de wethouder werd ondervraagd door de politie. Het geld dat hij verdiende mocht hij uiteindelijk terugbetalen en hij verdween voor jaren in de cel. De gemeente legde een claim neer bij het bouwbedrijf van de zwager, dat daardoor failliet ging. De zwager was daar zo verbolgen over dat hij het huis van de echte Jan Jansen, wie bedenkt ook dat er iemand met die naam echt bestaat en in ons dorp woont, bekogelde met bakstenen, die hij waarschijnlijk had onttrokken aan de failliete boedel van zijn bedrijf.

Hoewel ik me soms misbruikt voelde als praatpaal, had ik respect voor mijn dorpsgenoten en aanvankelijk wilde ik de verhalen die ik had opgeschreven voor mezelf houden. Alleen het verhaal van de wethouder vond ik te belangrijk om over te zwijgen. Vreemd genoeg legde de wethouder nooit de link tussen het verhaal dat hij mij had verteld en hetgeen dat in de lokale krant verscheen. Misschien dat mijn opzet van de auteur die zijn onderwerp wekenlang schaduwde goed werkte. Het was de enige geschiedenis die ik op die manier had opgeschreven, en dat ik dingen opschreef had niemand hoeven weten. Maar de Sinterklaasintocht van vorig jaar was een aanleiding om mijn mening daarover bij te stellen. Sint vroeg of iedereen lief was geweest, of dat er stoute kinderen waren. Een van de Pieten merkte toen op dat Joost het wel zou weten, en dus werd ik tegen mijn wil naar voren gehaald. De Sint, afkomstig uit een naburig dorp, vroeg mij of iedereen lief was geweest. Ik knikte alleen maar. Hij vroeg mijn naam en ik zweeg. Hij vroeg nogmaals mijn naam en ik bleef zwijgen. Ik had maar wat graag mijn naam willen schreeuwen, maar het kon gewoon niet. Vanuit het publiek riep iemand dat Sint geen moeite moest doen, omdat ‘die achterlijke’ op het podium toch te stom was om een woord te zeggen. De hele menigte begon te lachen. Zo werd er dus over mij gedacht. Ik was goed om tegen aan te zeuren, maar verder was ik het lachertje van het dorp. En ik zou het laatst lachen.

Willem Plank heette de jongen die mijn werk completeerde. Hij zat in 6 VWO en vertelde hoe hij met gemak zijn schooljaren door was gekomen, door briefjes in zijn etui te stoppen en zijn armen vol te kladden. Geen docent had het ooit gemerkt. Hij kon een vier halen voor zijn eindexamens en nog slagen. En toch zakte hij. Ik had hem willen sparen, mijn manuscript was al zo goed als af, maar toen we uiteen gingen, voegde hij me toe dat als hij zijn diploma had, hij wel iets van zijn leven zou kunnen maken. Met een spottende lach verliet hij het bankje in het park waarop ik van de najaarszon zat te genieten en met groeiende boosheid bleef ik acht, nog vastberadener dan ooit om de woede die mijn dorpsgenoten hadden gevoed, over hen uit te storten.

Printing on demand. Het kost wat, maar het was me ook elke cent waard. Alle verhalen die mijn dorpsgenoten hadden verteld, had ik opgeschreven en gebundeld in een boek getiteld ‘Mijn dorp’, met een foto van het centrum op de cover. Wie de inhoud niet kende, zou denken dat het een toeristische gids was. In werkelijkheid was het een zwartboek van de inwoners, en alleen de enkeling die het voor mij had opgenomen, had ik een vermelding bespaard. Wie goed doet, goed ontmoet. Een van hen was Wilbert den Hartog, over wie ik ook nu niets negatiefs kan schrijven. Wilbert kwam ik een keer tegen in de supermarkt, tussen de pastasauzen en de Toverrijst. Hij wist wie ik was, en had de tegenwoordigheid van geest om een blocnote en pen uit zijn jaszak te halen zodat ik iets terug kon zeggen, toen hij vroeg hoe het met me ging. Het was voor het eerst dat iemand een dergelijke geste maakte. ‘Dank u’ schreef ik op, maar Wilbert vond dat ik hem moest tutoyeren. Hij was mede-eigenaar van een regionaal koeriersbedrijf en bood me een baan aan in het sorteercentrum. Op de blocnote dankte ik hem daarvoor, maar ik wees het aanbod af. Ik had al andere plannen, en Wilbert, die het gros van de mensen in ons dorp ook al zat was, wilde aan mijn plan bijdragen.

Leanne de Jager werd twee dagen nadat mijn boek door een van de koeriers van Wilbert was bezorgd bij haar werkgever ontslagen. Haar ex-collega Judith las de bekentenis ook, en sleepte zowel haar vroegere werkgever als Leanne voor de rechter en kreeg een forse schadevergoeding. Binnen het dorp gunde niemand Leanne nog een blik waardig. Zo verging het de meeste mensen die mij onderdeel hadden gemaakt van hun ellende. Met verbazing werd kennisgenomen van de ontwikkelingen in de samenstellingen van de huishoudens van Carla en Paul Romijn en hun buren. Zulke nette mensen gingen vreemd? Het was een schande! Willem Plank werd op het matje geroepen door de schooldirectie. Nadat hij zijn fraude nog eens schoorvoetend had bekend, werden zijn cijfers ongeldig verklaard en zakte hij voor zijn eindexamen. Hij kreeg geen herkansing. En dan was er nog Peter Dijksma, commandant van de lokale brandweer, die werd gearresteerd omdat hij mij had verteld dat hij af en toe zelf brand stichtte, omdat hij zo graag een brandslang vasthield. Iedereen weet nu ook dat Johanna van Alphen, 42 jaar oud, nog nooit het bed heeft gedeeld met een man, noch met een vrouw, en dat de bakker uit de Hoofdstraat, de kalende vijftiger met baard en bril, in de kelder van zijn bakkerij een wietplantage heeft en dat hij abusievelijk wel eens een plank vol met spacecakes had in de winkel, die allemaal verkocht werden, zonder dat iemand het ooit had gemerkt.

Wethouder de Monnick kwam ook terug in het boek. Bij Jan Jansen sloegen de stoppen door toen hij erachter kwam dat niet hij, maar Joost van Putten de ingezonden brief had geschreven, en met een honkbalknuppel in de hand kwam hij verhaal halen. Dat is het gerucht dat ik heb gehoord, want ik heb het zelf niet meer gezien. Een week voordat Wilbert de boeken verspreidde, ben ik verhuisd. Eerst naar Amsterdam, maar een maand later vertrok ik naar Duitsland. Daar doet men niet moeilijk als ik niets terugzeg. Ik ben hier de buitenlander die de taal niet spreekt. Dat denkt men tenminste, want inmiddels schrijf ik een aardig woordje Duits. Daarmee heb ik me alvast voorbereid voor het geval ik ook hier alles mag weten.

 Gepubliceerd door om 19:17

Sorry, het reactieformulier is momenteel gesloten.